Onze Buurt

Ons hondje - een fel zwart-wit boeren foxje - , werd op een trieste dag overreden door de vuilniswagen. Het was het lievelingetje van mijn oudste broer,die op dat moment op school zat. Mijn moeder raakte in paniek en legde het koude hondje op de putdeksel in de zon. Ze hoopte tegen wil en dank dat de warmte het hondje weer tot leven zou wekken. We hebben hem - het hondje - 's avonds in de tuin begraven.

In die achtertuin hield mijn vader kippen. De ren was nogal slordig afgezet met gaas, zodat het nog wel eens voorkwam, dat er kippen ontsnapten. Mijn moeder kon ze niet vangen en liep naar de lagere school, die in een zijstraat stond, om mij uit de klas te laten halen. Ik vond dat een welkome onderbreking van de les. Ik liep dan extra langzaam naar huis en weer terug om van elke seconde van mijn onverwachte vrijheid te genieten.

's Morgens moesten we naar de kerk  - elke dag - en dat werd op een of andere manier op school gecontroleerd en bijgehouden. Had je een x-tal streepjes achter je naam, kreeg je een prentje met een of andere heilige erop. Ja, de firma R.K. was goed georganiseerd! Als het kerkkoor aanvulling nodig had, kwam een kapelaan in de les en moest iedereen de notenbalk zingen: je moest wel heel erg vals zingen, wilde je niet als 'vrijwilliger` uitgekozen worden! Mijn broer en ik waren de klos en dat kostte ons mooi onze vrije woensdagmiddag, want dan was er koorrepetitie. De basis voor een ontkerkelijking werd toen stevig gelegd.

 

Maar met Kerst werden we door moeder om 11 uur uit bed gehaald en liepen witjes en slaapdronken door de koude nacht naar de kerk, om boven op het koor de nachtmis te zingen. Toch een stemmingsvolle nacht, vooral als we na afloop thuis gekomen, de warme worstenbroodjes op de kachel vonden en zelfs koffie mochten drinken. Het werd soms wel 2 uur voor je weer in je bedje lag met een goed gevulde maag en klaar wakker door de sterke koffie. De volgende dag stond er dan konijn op het menu, die mijn vader persoonlijk slachtte. De tafel was gedekt met speciaal kerstpapier en het goede servies stond erop. In het kerststalletje brandde een grote gloeilamp en de kerstboom geurde door de kamer.

Maar de koude oorlog ging niet voorbij en Hilterman waarschuwde elke zondagmiddag voor de dreiging der Russen. 'En zo, dames en heren, kan elk ogenblik de derde wereldoorlog uitbreken en wens ik u voor dadelijk smakelijk eten!' Ga d'r maar aan staan..

 

In het voorjaar kreeg het hele huis een goede beurt - de grote schoonmaak - en liet mijn moeder alle poetshormonen (als die bestaan) haar volledig in hun greep krijgen. Je kon haar dan beter niet voor de voeten lopen en ik meen me te herinneren dat vader een snipperdag op moest nemen om de zware karweien - zoals het naar buiten slepen van vloerkleden en matrassen - voor zijn rekening te nemen. Het hing echt in de lucht; ook bij de buren werd er geklopt en geboend "dat het ‘n aard had". Ook werd de kolenvoorraad in de kelder aangevuld en kwam er een paard met wagen, met daarop tientallen zakken kolen. De kolenboer sjorde zo'n zak op zijn rug - daarvoor had hij een soort doek op zijn rug liggen - en sjouwde die door de gang, de huiskamer en de keuken naar de kelder. Hij liep dan over een pad van kranten, die mijn moeder op de grond gespreid had. Nog hoor ik het zware gerommel als de kolen uit de zak in de kelder rolden. Laat de winter maar komen. Ook de schillenboer kwam met paard en wagen de groenteafval ophalen. Zijn kar liet een weeë zoete geur in de straat achter.

 

's Winters werd de sneeuw in onze straat nooit door de gemeente geruimd.Dat vonden we niet erg. Telkens als een auto onze straat in reed, liepen we er met z'n allen achteraan, en hielden we ons vast aan de achterbumper om zo over de sneeuw te glijden. Niet elke automobilist kon dat waarderen, en stopte. Maar eens moest hij toch weer gaan rijden en hingen wij er weer achter. De koude scherpe randen van de verchroomde bumper en de stinkende uitlaatgassen namen we op de koop toe. Een andere leuke bezigheid was het 'inpeperen van de 'meiden'. Dan kon je ze van achteren beetpakken en hun gezichtjes met sneeuw inwrijven, waarbij latente erotische gevoelens ook nog eens werden uitgeleefd. Glijbanen maken midden op straat was ook leuk en met een goede aanloop en gladde zolen, schoof je tientallen meters ver.

 

's Zomers als de straat trilde in de hitte, zochten we in de tuin afkoeling in de wasteil, gevuld met koud kraanwater. Wat later verzamelden we ons op de hoek van de straat om met zwemkleren in handdoeken gedraaid achter op de fiets, met een grote groep naar het natuurbad ‘Het Eurostrand' te rijden. Een lange rit door Eindhoven, Aalst en Valkenswaard. Bijna bij de Belgische grens, in de bossen, lag deze zandafgraving waar "tout Eindhoven" te vinden was. Op het zand gelegen loerde je naar de meiden en toen een stelletje hevig aan het zoenen geslagen was, riep een voorbijkomende jongen:'Jullie kunnen elkaar beter niet opwinden, want je kunt hier toch niet aflopen!'

In de late namiddag fietsten we dan weer naar huis met het fijne gele zand in je haar en in je kleren.

In de herfst werden in het park vlakbij onze straat door de gemeente de afgevallen bladeren op manshoge hopen geveegd. We kropen dan, met onze overalls aan, door die hopen en roken de natte herfstbladeren, die aan onze gezichten bleven hangen. Je mocht niet fietsen in het park, dus deden we dat wel. Ik en mijn broer werden eens door de plaatselijke diender aan gehouden. Toen hij zich met mijn broer onderhield, maakte ik van de gelegenheid gebruik om er tussen uit te knijpen. De agent liep vloekend achter mij aan, waarbij mijn broer weer de kans kreeg er vandoor te gaan. Ik heb nog nooit zo hard gefietst en we kwamen elkaar weer tegen bij ons huis. Stilletjes slopen we naar binnen en gingen quasi braaf voor de zwart-wit tv zitten. Met spanning wachtten we op de deurbel, die zou rinkelen als de agent ons zou komen ophalen. Dat gebeurde niet: blijkbaar hadden we zo hard gereden, dat hij maar niet aan de achtervolging was begonnen!

 

Dit alles speelde zich af in onze buurt en tijdens koude oorlog en hoewel het geen tijd van overvloed was, waren we toch tevreden, hoewel 'gelukkig' weer iets te ver gaat. We wisten niet beter en dat was maar goed ook.

 

Henk van de Looy (1947 geboren in de St Rochusstraat en ooit bassist van The Sounds)