Leven tijdens de oorlog

Mijn vader Fedde Westerterp ging voor mij op pad in de oorlog.
Als zesde kind werd ik in november 1943 geboren.
Volop winter en gebrek aan veel.
Zo ook in die winter, melk voor mij.
Mijn vader ging naar een boer ergens een eind weg voor melk voor mij.  Melk had hij weten los te krijgen.
Op de terugweg weer langs de Duitsers.
Hij moest stoppen en de melk afgeven.
Dat was mijn vader eigenlijk niet van plan.
Uitleg dat het voor een baby was deerde een soldaat niet. Gelukkig was er een hogere in rang  (waarschijnlijk zelf vader van kinderen) die beval dat mijn vader de melk kon meenemen naar huis.
Het was een heel spannend moment geweest.  Een verhaal wat ik vaak gehoord heb na de oorlog.
Mijn vader hield in de Acaciastraat in de oorlog in de kelder een bok. Omdat vader het slachten in de slagerij van zijn oom in Friesland had geleerd was het voor hem een peulenschil om de bok te castreren. Anders had hij hem niet binnen kunnen houden. Na de oorlog was de bok er niet meer.
Ook hield hij legio konijnen in de schuur, was  ten strengste verboden door de Duitsers.
Mijn moeder had in de oorlog (traditioneel) rijst bewaard, voor als er echt helemaal geen eten zou zijn. Het kwam op het eind van de oorlog goed van pas.
Onze buurjongen Berry van Stra(a)ten en ik (Ruurdtje) kregen dysenterie, toen  kwam de rijst goed van pas om ons in leven te houden.
Wij zijn van die dysenterie  goed ziek geweest.
Ik stond te creperen in de box van de kramp (mijn moeder had de rijst wel geruild  voor wat anders).
Ook was er een buurvrouw die vlak na de oorlog vlees weg gooide, omdat ze het niet lustten.
Mijn vader werd boos, dat er mensen waren die vlak na de oorlog geen vlees lustten en haalde het uit de vuilnisbak en was kwaad op de buurvrouw.
Bij ons thuis werd nooit eten weggegooid, geen aardappel!. Een goeie traditie die heeft doorgewerkt naar de kinderen toe.
Ik gooi nog steeds niks van etenswaar weg.

Ruurdtje Westerterp



< < < Overzicht ...