Onze Buurt

Onze buurt.

 

Onze buurt bevond zich aan de zuidrand van het centrum van Eindhoven in en rond de St.Rochusstraat.

Mijn eerste herinneringen gaan terug naar de jaren '50. Het was dus kort na de oorlog en de stad was in opbouw. Overal hoorden je de sissende en bonkende heistellingen, die op de -door de bombardementen ontstane kale vlakten -  nieuwe gebouwen uit de grond stampten.

In onze buurt bevond zich een terrein, dat wij ‘de puinhopen` noemde. Hier stond een bakkerij in aanbouw, die door een voltreffer geraakt was. Door een groot gat in het beton keek je in de ruimte,die als kelder bedoeld was en waarin altijd regenwater stond. Dat werd het hoofdkwartier van onze 'bende`. Nog ruik ik de misselijk makende weeë geur in die kelder. Het terrein er omheen was begroeid met gouden regen. Van de stengels maakten we pijlen voor onze bogen. Elke woensdagmiddag speelden we daar in onze blauwe overalls. We vormden en misvormden elkaar en haalden kattekwaad uit.

Het terrein grensde aan de boomgaard van de Zusters. Eens klommen we over de schutting en propten onze zakken vol met appels en peren. Maar helaas: aan de andere kant van de schutting stond een agent ons al op te wachten. Er was geen ontkomen meer aan: in ganzenpad liepen we achter hem aan naar het klooster, waar we onze excuses moesten aanbieden. Als bewijs werd uit de zak van ene Peter een appel en een peer gehaald. Dat herhaalde zich weer op het politie bureau en tenslotte nog eens bij onze ouders. Het gevolg was dat Peter niets meer in zijn zakken had en wij nog met volle zakken liepen. Peter was dubbel gestraft.

Soms werd er tussen onze bende en een bende uit de buurt om de hegemonie gevochten. Dat werd beslecht op de ‘puinhopen`, waar de gouden regen ons genoeg dekking verschafte om de vijand omzichtig te naderen en hem er flink van langs te geven. De hegemonie wisselde elke maand, waarna de verliezende partij het wel weer eens wilde proberen. Het hield ons scherp en populair bij de meiden. Ook de eerste zoentjes werden gegeven in de kelder, onder de jaloerse blikken van de tijdelijke vrijgezellen. Daarbij wisselde het meisje nogal eens van "lover" om -voor ons jongens - volkomen duistere redenen....

Na een aantal jaren werden we van ons terrein verdreven door een vijand, waar we niet tegen op konden: de projectontwikkelaars, die likkebarend naar dit gunstig gelegen bouwterrein keken. Het hele gebied bestaat nu uit hoogbouw en ook de zusterschool is er niet meer.

Soms stonden we te kijken naar het 'drukke` verkeer over de Stratumse Dijk, waar alles uit het Zuiden, dat door de stad moest, overheen reed.

Grote vrachtwagens, geladen met boomstammen uit de Ardennen, bussen met Belgische arbeiders voor de Philips fabrieken en de textiel- en sigarenfabrieken. We kenden toen nog alle automerken. Een auto die terug kwam van de Keukenhof was te herkennen aan een bloemensliert over de motorkap. Die auto had in onze ogen een ongelooflijk verre reis gemaakt! Oversteekplaatsen werden aangegeven met vrolijk knipperende oranje bollen.

Op het kruispunt stond een politieagent een witte paal met scharnierende borden te bedienen om het verkeer in goede banen te leiden. Hoge glanzende zwarte laarzen en witte biezen over het uniform: je haalde het niet in je hoofd om tegen zijn bevelen in, toch de bocht om te gaan. Het gezag van de politie was toen nog absoluut!

Zagen we een bijzondere auto( b.v. 'n Amerikaanse Plymouth ) was dat lang het gesprek van de dag. Ook militaire colonnes met van die geheimzinnige blauwe lampjes op de bruine bumpers voedden onze jongensfantasie hevig.

In die tijd vlogen de straaljagers, niet gehinderd door allerlei milieuwetten, met veel geraas en op geringe hoogte over de stad. We namen 't voor lief, want het was de koude oorlog en de schrik voor de Russen zat er goed in. Met enorme knallen vlogen ze door de geluidsbarrière en deden de ramen trillen.

Langzaam verschenen er steeds meer tv antennes op de daken: in die tijd nog een statussymbool! Sommige straaljagers schreven met hun condenssporen figuren in de lucht: zo tekende op een warme zomermiddag een ondeugende piloot een enorm hart boven het natuurbad 'Het Eurostrand`. Voor welk meisje zou dat bedoeld zijn?

In de zomer speelden we op straat onder de laag overvliegende zwaluwen. Iedereen deed mee: badminton, voetbal, verstoppertje, allerlei krijtspelletjes - zoals land veroveren  en britsen - en tollen. Dat ging door tot het donker werd, wat betekende dat de kleintjes jaloers in hun bedjes naar die verlokkende straatgeluiden lagen te luisteren en de slaap maar moeilijk te pakken kregen. In een portaal kwamen twee voordeuren naast elkaar uit, zodat de verleiding om de deurknoppen aan elkaar te binden en dan beide belknoppen in te drukken, wel erg groot werd.....

Een durfal klom langs een regenpijp van een huis aan het begin van de straat op de dakgoot en kroop van goot tot goot van het ene huis naar het andere onder de bewonderende blik van zijn vriendjes. Een hachelijke onderneming gezien de slechte staat waarin sommige huizen verkeerden. Zo hoorde ik de huisschilder, toen hij eindelijk ons huis 'mocht` verven, verzuchten: 'Het zijn allemaal krotten, maar dit is wel het ergste!`

Halverwege de straat had zich een ankerwikkel bedrijfje gevestigd, dat o.a. het leger tot zijn klant rekende. Dat betekende dat we in het weekend in de daar geparkeerde pantserwagens konden kruipen om ons te vergapen aan allerlei technische hoogstandjes binnen. Het maakte een diepe indruk als je je voor te stelde dat je er in zat, terwijl de kogels op de pantserplaten inslaan! Overdag stond de deur van de werkplaats open en snoven we de lucht van smeer, koper en ijzer op. Maar een jongen, Gerrit genaamd, uit de straat, die daar in dienst was, vond zich erg belangrijk en joeg ons steeds de straat op. Op hem hebben we fijntjes wraak genomen, toen hij zich weerloos op 'ons' terrein bevond.

Ook mijn oudste broer deed boodschappen voor de baas en reed eens met een ruit onder de arm op zijn brommer stoer en te hard door de straat. Toen hij de bocht moest nemen naar de werkplaats en uit het gezicht verdween, hoorden we een vreselijke klap en gerinkel. Nadat we ons bezorgd naar de plaats van onheil spoedden vonden we hem op de grond onder de brommer en tussen de scherven.

 

Koninginnedag was een heel bijzondere dag in de straat. In mijn herinnering was het dan altijd mooi weer en hadden we onze fietsen mooi opgepoetst. Voorzien van oranje vlaggetjes en vrolijk gekleurde slingers reden we met de kleinste kinderen uit de straat trots rondjes door de wijk. Op de Stratumse Dijk werd een parade gehouden met veel muziek, militair vertoon en allerlei verenigingen gaven acte de présence. Zo heeft mijn vrouw destijds met haar rolschaats club er een voorstelling gegeven, maar dat wist ik toen nog niet. Later zagen wij bij ons thuis, samen met de buren de zwart wit beelden van het défilé op paleis Soestdijk. Mijn vader werkte bij Philips en was vroeg in het bezit van een tv, zodat de kamer vol zat met mensen uit de straat.

In onze straat was ook een taxibedrijf gevestigd. De eigenaar hield zijn twee auto's bij als ware het zijn kinderen. Zo waren zijn banden voorzien van een witte schijf, die hij liefdevol met Vim schoon schrobde en de lak van de zwarte auto's werd diep glanzend gepoetst met gele was. In het weekend hield hij zijn middagslaapje op de achterbank van zijn lievelingswagen. Ik zie nog het chroom schitteren in de zon, als hij na zijn sièsta ’s middags z'n wagen mee uitnam voor een showritje door de buurt. Hij had dan zelfs zijn taxipet op en had een smile van oor tot oor. In de oorlog had hij wat hand en spandiensten verricht voor de bezetter, op het niveau van winstgevende karweitjes. Het werd hem na de oorlog niet in dank afgenomen door de buurt en hij hield zich het meest met de jeugd van na de oorlog op.

Ons hondje - een fel zwart-wit boeren foxje - , werd op een trieste dag overreden door de vuilniswagen. Het was het lievelingetje van mijn oudste broer,die op dat moment op school zat. Mijn moeder raakte in paniek en legde het koude hondje op de putdeksel in de zon. Ze hoopte tegen wil en dank dat de warmte het hondje weer tot leven zou wekken. We hebben hem - het hondje - 's avonds in de tuin begraven.

In die achtertuin hield mijn vader kippen. De ren was nogal slordig afgezet met gaas, zodat het nog wel eens voorkwam, dat er kippen ontsnapten. Mijn moeder kon ze niet vangen en liep naar de lagere school, die in een zijstraat stond, om mij uit de klas te laten halen. Ik vond dat een welkome onderbreking van de les. Ik liep dan extra langzaam naar huis en weer terug om van elke seconde van mijn onverwachte vrijheid te genieten.

's Morgens moesten we naar de kerk  - elke dag - en dat werd op een of andere manier op school gecontroleerd en bijgehouden. Had je een x-tal streepjes achter je naam, kreeg je een prentje met een of andere heilige erop. Ja, de firma R.K. was goed georganiseerd! Als het kerkkoor aanvulling nodig had, kwam een kapelaan in de les en moest iedereen de notenbalk zingen: je moest wel heel erg vals zingen, wilde je niet als 'vrijwilliger` uitgekozen worden! Mijn broer en ik waren de klos en dat kostte ons mooi onze vrije woensdagmiddag, want dan was er koorrepetitie. De basis voor een ontkerkelijking werd toen stevig gelegd.

 

Maar met Kerst werden we door moeder om 11 uur uit bed gehaald en liepen witjes en slaapdronken door de koude nacht naar de kerk, om boven op het koor de nachtmis te zingen. Toch een stemmingsvolle nacht, vooral als we na afloop thuis gekomen, de warme worstenbroodjes op de kachel vonden en zelfs koffie mochten drinken. Het werd soms wel 2 uur voor je weer in je bedje lag met een goed gevulde maag en klaar wakker door de sterke koffie. De volgende dag stond er dan konijn op het menu, die mijn vader persoonlijk slachtte. De tafel was gedekt met speciaal kerstpapier en het goede servies stond erop. In het kerststalletje brandde een grote gloeilamp en de kerstboom geurde door de kamer.

Maar de koude oorlog ging niet voorbij en Hilterman waarschuwde elke zondagmiddag voor de dreiging der Russen. 'En zo, dames en heren, kan elk ogenblik de derde wereldoorlog uitbreken en wens ik u voor dadelijk smakelijk eten!' Ga d'r maar aan staan..

 

In het voorjaar kreeg het hele huis een goede beurt - de grote schoonmaak - en liet mijn moeder alle poetshormonen (als die bestaan) haar volledig in hun greep krijgen. Je kon haar dan beter niet voor de voeten lopen en ik meen me te herinneren dat vader een snipperdag op moest nemen om de zware karweien - zoals het naar buiten slepen van vloerkleden en matrassen - voor zijn rekening te nemen. Het hing echt in de lucht; ook bij de buren werd er geklopt en geboend "dat het ‘n aard had". Ook werd de kolenvoorraad in de kelder aangevuld en kwam er een paard met wagen, met daarop tientallen zakken kolen. De kolenboer sjorde zo'n zak op zijn rug - daarvoor had hij een soort doek op zijn rug liggen - en sjouwde die door de gang, de huiskamer en de keuken naar de kelder. Hij liep dan over een pad van kranten, die mijn moeder op de grond gespreid had. Nog hoor ik het zware gerommel als de kolen uit de zak in de kelder rolden. Laat de winter maar komen. Ook de schillenboer kwam met paard en wagen de groenteafval ophalen. Zijn kar liet een weeë zoete geur in de straat achter.

 

's Winters werd de sneeuw in onze straat nooit door de gemeente geruimd.Dat vonden we niet erg. Telkens als een auto onze straat in reed, liepen we er met z'n allen achteraan, en hielden we ons vast aan de achterbumper om zo over de sneeuw te glijden. Niet elke automobilist kon dat waarderen, en stopte. Maar eens moest hij toch weer gaan rijden en hingen wij er weer achter. De koude scherpe randen van de verchroomde bumper en de stinkende uitlaatgassen namen we op de koop toe. Een andere leuke bezigheid was het 'inpeperen van de 'meiden'. Dan kon je ze van achteren beetpakken en hun gezichtjes met sneeuw inwrijven, waarbij latente erotische gevoelens ook nog eens werden uitgeleefd. Glijbanen maken midden op straat was ook leuk en met een goede aanloop en gladde zolen, schoof je tientallen meters ver.

 

's Zomers als de straat trilde in de hitte, zochten we in de tuin afkoeling in de wasteil, gevuld met koud kraanwater. Wat later verzamelden we ons op de hoek van de straat om met zwemkleren in handdoeken gedraaid achter op de fiets, met een grote groep naar het natuurbad ‘Het Eurostrand' te rijden. Een lange rit door Eindhoven, Aalst en Valkenswaard. Bijna bij de Belgische grens, in de bossen, lag deze zandafgraving waar "tout Eindhoven" te vinden was. Op het zand gelegen loerde je naar de meiden en toen een stelletje hevig aan het zoenen geslagen was, riep een voorbijkomende jongen:'Jullie kunnen elkaar beter niet opwinden, want je kunt hier toch niet aflopen!'

In de late namiddag fietsten we dan weer naar huis met het fijne gele zand in je haar en in je kleren.

In de herfst werden in het park vlakbij onze straat door de gemeente de afgevallen bladeren op manshoge hopen geveegd. We kropen dan, met onze overalls aan, door die hopen en roken de natte herfstbladeren, die aan onze gezichten bleven hangen. Je mocht niet fietsen in het park, dus deden we dat wel. Ik en mijn broer werden eens door de plaatselijke diender aan gehouden. Toen hij zich met mijn broer onderhield, maakte ik van de gelegenheid gebruik om er tussen uit te knijpen. De agent liep vloekend achter mij aan, waarbij mijn broer weer de kans kreeg er vandoor te gaan. Ik heb nog nooit zo hard gefietst en we kwamen elkaar weer tegen bij ons huis. Stilletjes slopen we naar binnen en gingen quasi braaf voor de zwart-wit tv zitten. Met spanning wachtten we op de deurbel, die zou rinkelen als de agent ons zou komen ophalen. Dat gebeurde niet: blijkbaar hadden we zo hard gereden, dat hij maar niet aan de achtervolging was begonnen!

 

Dit alles speelde zich af in onze buurt en tijdens koude oorlog en hoewel het geen tijd van overvloed was, waren we toch tevreden, hoewel 'gelukkig' weer iets te ver gaat. We wisten niet beter en dat was maar goed ook.

Henk van de Looy 

henkvandelooy@hotmail.com

Henk van de Looy



< < < Overzicht ...