De Kruisstraat in oorlog en bezetting

 
 
E.P.J. Beerens
2001             

De Kruisstraat in oorlog en bezetting Mei 1940-mei 1945 .
 
Op vrijdagmiddag 10 Mei marcheren Duitse militairen Eindhoven binnen. Sommige mensen juichten, de latere NSB'ers, maar de meeste mensen waren bedroefd. Na de capitulatie van het Nederlandse leger (de inval en strijd duurde 4½ dag) zag iedereen uit naar de Hollandse soldaten, waar ze zaten en of ze gauw terug zouden komen. Er was geen verbinding, geen telefoon. Soms gaf de radio enige berichten door; Koningin Wilhelmina en haar gevolg vluchtten naar Engeland. Enkele weken later waren België en Frankrijk bezet door de Duitse Armee. Engelse en Franse troepen werden bij Duinkerken bijeen gedreven en probeerden naar Engeland uit te wijken. Na dit alles probeerden de mensen de draad weer op te pakken en verder te leven.
André de Bont was op die vrijdag 10 Mei op weg naar de Obam garage om een nieuwe vrachtwagen op te halen. Onderweg sommeerden Duitse soldaten hem te stoppen en de vrachtauto af te geven. "Dat nooit heeft hij gedacht. "Goed" zei hij "maar ik blijf de chauffeur". Drie weken lang is hij weg geweest; tot in Zeeland toe. Later zonder vrachtauto weer in Woensel teruggekeerd. Er verschenen in de stad en omgeving Duitse richtingsborden. Onder andere; Ortskommendantur, Wehrm. Heim, Lazareth, Deutse Polizei, Wehrmacht Gaststätte, Deutse Dienstpost etc.
De kostscholen begonnen weer en in de slagerij werd gewoon gewerkt. Sommige scholen werden "gevorderd" om Duitse soldaten te herbergen. Men had geen idee wat er ging gebeuren, maar men merkte al gauw dat men niet vrij meer kon afrekenen, vooral in de winkels en ook in onze slagerij. Je wist van de ander niet aan welke kant ze hoorden. Veel propaganda over de radio van Mussert. Deze had zich benoemd tot leider van de NSB, de Nederlandse Socialistische Beweging. Ook vele redevoeringen door Seyss-Inquart kon men beluisteren. Dit was de Duitse leider voor Nederland.
Aan alles kwam gebrek: levensmiddelen en vooral materiaal voor auto's, fietsen, kleding en schoenen. De distributie begon waardoor er veel artikelen niet zonder bonnen te koop waren. Later was alles op de bon. Elke week stond in de krant welk bon­nummer geldig was voor bv. vlees, kaas, brood, snoep of textiel. In de slagerij was het heel anders winkelen geworden. Er was niets te kiezen, soms was er varkensvlees, dan weer rundvlees, soms maar aanvoer voor de helft van de geldige bonnen. Er was veel energie en mensenkennis nodig om iedereen tevreden te stellen. Eerst de Duitse Wehrmacht en dan pas de Nederlanders. Bij het zwembad De IJzeren Man hadden de Duitsers een heel terrein afgezet waar veel luchtafweerkanonnen stonden, z.g. Flakfliegerabwehrkanonen. Vooral 's nachts en 's avonds gaf dat veel lawaai en angst. Er waren grote zoeklichten die de hemel in schenen . Eenmaal in de lichtstralen hadden de Engelse en Amerikaanse vliegtuigen geen kans. We hebben tientallen van hun neer zien schieten. Door de Eindhovense straten reden vele Duitse legervoertuigen. Ook het vliegveld was door de troepen bezet, iedereen vanaf 16 jaar moest een persoonsbewijs aanvragen, en je was verplicht dit bij je te dragen als je buitenshuis was. Later werd er een spertijd ingesteld, wat inhield dat je tussen 10 uur 's avonds en 6 uur 's morgens niet op straat mocht zijn. Geweldig angstig waren de sirenes voor het luchtalarm. Indien de bommen van de geallieerden weer eens in aantocht waren, gingen de sirenes loeien. Vooral 's nachts was dat voor onze ouders heel zorgelijk. We sliepen met z'n allen in de voorkamer met ieder een pakje kleding in de nabijheid, voor het geval dat het ernst werd en we weg moesten vluchten.
Op 6 December 1942 werden de Philips fabrieken gebombardeerd. Nu op zondag om mensen te sparen, maar er werd veel naast gegooid. Heel de Demer was weg en de Fellenoord was zwaar beschadigd. Vele burgers kwamen om. Onder andere familie Vilé, schilder van onder andere het portret van Opa uit Best. De volgende bombardementen waren gericht op het Eindhovense vliegveld. Vele burgers werden gedwongen om op het vliegveld bommentrechters te dichten. Ook vader werkt mee, gelukkig maar één dag. Later zijn verschillende mensen hier omgekomen door bommen. Onder andere twee slagers, de vader van Theo Hoogen en van de Lest. Toen vader op het vliegveld aankwam werd hij door de Duitsers gedwongen een schop te pakken en te gaan dichten. Gelukkig was daar van de Hoogen die klant was in de slagerij. Hij werkte met paard en wagen voor de Duitsers. Maar een beetje Hollandse mentaliteit had Jan nog wel. Tegen vader zei hij "Willem spring maar op mijn kar dan hoef je niet te werken". Zo kwam vader 's avonds toch nog met een lachend gezicht weer thuis. Zo zie je weer dat zo'n oorlog niet steeds droevig en gewelddadig is.
Elke dag tijdens die bezetting verschenen steeds nieuwe voorschriften en maatregelen. Z.g. Staatsduitsers die al lange jaren in Nederland woonden en werkten werden opgeroepen in dienst van de Duitse Wehrmacht te komen, zelfs tot 55 jaar. Veel mensen moesten gaan werken in Duitsland.
Alle ramen moesten met verduisteringspapier dichtgeplakt worden. Er werd intensief gecontroleerd door de luchtbescherming. Er was een oproerstaking bij de Philips fabrieken; de afspraak was om niet naar de fabriek te komen. Enkele mensen die gingen kijken aan de poort werden gearresteerd en later doodgeschoten. Dit werd toen op grote aanplakbiljetten in de stad bekend gemaakt. De gezichten van de burgers en ook die van de klanten in de slagerij werden steeds somberder. De Duitsers legden beslag op de scholen en klooster van de zusters in de Hemelrijken. Alles moest in zeer korte tijd ontruimd worden. Veel meubilair en inventaris, boeken etc. werden bij ons in de schuur geplaatst. Ik heb een hele dag mee geruimd tot de Duitsers zeiden "genoeg" en we moesten de rest achterlaten. Verdere verordeningen waren om de radio en het koper in te leveren. Op het kerkplein van de St. Petrus kerk verschenen grote hijskranen van de Duitsers. Ze hadden de klokken nodig voor oorlogsmateriaal. Het was toen toch een teken van zwakte, bij de eens zo trotse Wehrmacht, Door de mensen in Woensel werd gezegd: "Klokken uit de toren dan is de oorlog verloren".
Het was verboden om naar de Engelse zender te luisteren, maar sommige mensen hadden hun radio niet ingeleverd. Zodoende konden ze op een geheime plaats luisteren. Wij hadden de radio en koperen spullen tussen het plafond verborgen. Familie de Lepper had wel een radio en zij kwamen berichten van Radio Oranje uit London doorgeven.
Steeds minder aanvoer in de slagerij zorgde voor andere moeilijkheden; de artikelen balkenbrij en bloedworst stonden hoog in het vaandel; deze waren verkrijgbaar op broodbonnen. Zodoende kon toch nog iets hartigs gebakken worden. Deze omzet was bij ons hoofdmoot geworden. Er waren weken bij van zevenentwintig baaltjes bloem van vijftig kilogram. Ook was er gelegenheid bouillon te verkrijgen. Een maal per week konden vaste klanten kannen en pannen brengen voor bouillon al naar gelang de grootte van het gezin. Van beenderen en vellen die van de vleestoevoer over waren werd soep getrokken. Ook bleef er wat vet over waarmee we met loog zeep maakten. Vooral voor de was, was dit een uitkomst. Door het bonnensysteem was het zaterdags bonnen plakken. Honderden vellen met bonnen die na geteld te zijn, ingeleverd werden op het slachthuis. Naar gelang de aanvoer werd daar de komende week weer vlees op bevoorraad. Aparte handel was de zogenaamde zwarte handel, artikelen die op de bon waren, maar door sluikse en illegale methoden te verkrijgen of liever gezegd, heel duur te koop waren. Deze waren dan voor vijftien of twintig maal de gewone waarde te koop. Deze methode werd in slagerij niet toegepast. Er werd wel geruild voor vlees of vleesbonnen, maar daar bleef het bij. Er werd niet met de zwarte handel meegedaan. Een "goede" zwarthandelaar was Wim van Dongen, hij kon overal aankomen maar vroeg niet het uiterste.
Na ongeveer driejaar bezetting door de Duitsers hing er een soort berusting, en "hoelang zal het nog duren?". Aan alles was te kort, niets kon meer gerepareerd worden. Ook de Duitsers zelf kregen gebrek aan kleding. De "winterhulp" Nederland zorgde voor winterkleding voor de soldaten aan het Oostfront. Voor ons telden vooral de ritjes naar Best. Met de fiets naar Aarle, vader en ik kwamen terug met fruit en haantjes van de boerderij. Dat was echt iets extra's in de oorlogstijd met slecht brood van maïs en roggemeel. Problemen met de fiets werden opgelost door Paul van Lippen, een man die alles maken kon, maar daarvoor was hij wel altijd zwart van het werk (en waste zich bijna nooit). Snoep was te koop bij Vrouwke van Baar in de de Vriesstraat. Voor eenieder was toch nog iets te koop. Alle respect gaat vooral uit naar onze ouders. De zorg om veiligheid, eten en schoenen. Door de bombardementen van Philips en het vliegveld was ons huis behoorlijk beschadigd. Veel ramen waren met planken dicht gemaakt. Veel pannen op het dak waren stuk. Toch gloeide er meer dan een vonkje als we de berichten hoorden van de Engelse zender, meestal van de Familie de Lepper. Ook het bezoek van Toon uit Ravenstein werd zeer gewaardeerd. Een neef van vader; hij had een taxi en transportonderneming. Hij greep de gelegenheid aan om te komen buurten als de rit richting Eindhoven ging, en wie verre reizen doet kon veel vertellen. En wij vonden dat Toon verre reizen maakte. Ik herinner mij dat hij met zijn vrachtwagen bij ons was. Achter de laadbak hing een grote kachel gestookt met houtskool. Die werd 's morgens aangemaakt en als die op temperatuur was kwam er gas vrij waarop de motor gestart kon worden. Zelfs de ziekenauto's en stadsbussen in Eindhoven liepen op "gas".
Vooral tijdens de oorlogsjaren gold: in tijd van nood leert men bidden. Elke dag naar de mis 's avonds ellenlange rozenhoedjes op de knieën, met steeds langer wordende intenties. Een rozenhoedje is een gebed van vijf keer tien weesgegroeten en vijf keer een onze vader achter elkaar bidden. Gelukkig heeft het ons niet slecht gedaan en zijn we de oorlog redelijk goed doorgekomen. Zelfs de oproep voor de Duitse arbeidsdienst is goed verlopen. Wel meer dan een jaar heb ik op zolder gezeten, overdag in de tuin en 's avonds studeren. Tabaksplanten kweken en verzorgen. Tussen de grote tabaksplanten kan niemand je zien of horen. Rijpe of droge bladeren werden opgehangen en door vrienden later naar Mignot en de Block gebracht om te laten fermenteren. Later kregen we daar de zogenaamde eigenteelt sigaret voor terug, merk Consi.
Ook kreeg ik tijdens deze periode Middenstandsles van Frans Panken, directeur van de kweekschool In de Hemelrijken. Trouw elke keer weer kwam hij van de Hemelrijken naar de Kruisstraat, één of twee keer ben ik er zelf naar toe geweest. Maar dan liep ons Nel eerst de route, of het overal veilig was. Het was namelijk een groot risico want mijn "Ausweis" was vals. Tegenover ons woonde een Juffrouw Klein, zij was vóór de Duitsers, eigenlijk door onwetendheid, zoals zo velen. De buurvrouw was Mevrouw Vet, ook al een pro-Duitse. Beiden waren zij gevaarlijk. Dit waren eigenlijk de zogenaamde Brood NSB'ers, ook de familie van Gelder was niet helemaal clean. Daarnaast waren er vele goede Nederlanders; Paul van Lippen, de Lepper, van de Laar en van Son. Café van de Broek op de hoek van de Vriesstraat had een dochter die bevriend was met een Duitse piloot. Deze maakte dikwijls een "Groeting" over de Kruisstraat. Als een onderduiker van 18 jaar verlangde je steeds meer naar het einde van de oorlog. 6 Juni 1944 was de invasie in Normandië met goed gevolg verlopen. Na enkele maanden waren de Engelsen en Amerikanen al in Parijs. NSB'ers en Duitsers werden angstig en de geruchten hielden maar steeds aan: Amerikanen in Maastricht en Brussel. Zo ontstond de zogenaamde "Dolle Dinsdag". Duitsers en NSB'ers probeerden zo vlug mogelijk weg te komen en zich veilig te stellen in Duitsland. Ze stalen fietsen, kinderwagens, paarden en karren; al het rollende materieel om te vluchten. Het eens zo trotse leger was diep gezonken.
Op 17 september 1944 stonden Engelse troepen aan de Belgische grens. Dit was het begin van Market Garden, waardoor Zuid Nederland bevrijd werd. Hoe blij met het zien van de eerste Amerikaanse Para's, die in Son geland waren en verbinding zochten met de Engelse troepen. Ze lopen van de Woenselsestraat door de Kruisstraat naar het Centrum. We bieden ze koffie en fruit aan, maar ze waren al verzadigd en moesten rond kijken en opletten voor sluipschutters. Later in het centrum sprak ik met de Amerikaanse soldaten; de meeste waren niet veel ouder dan ik zelf en waren afkomstig uit alle staten van Amerika. Het was een hele belevenis voor ons in die tijd. Amerika was zo onnoemlijk ver weg en hier stonden deze mannen voor onze vrijheid.
Helaas gooide het Duitse bombardement op 19 September roet in het eten. Toon van Son en ik stonden op straat terwijl de vliegtuigen naderden; ze vlogen heel laag. Plotseling verschenen er oranje fakkels, wij dachten oranje vuurwerk; maar enkele minuten later spatten de bomscherven op straat langs ons heen. Toon vloog bij familie Lepper de schuilkelder in en ik bij ons thuis. Het bombardement duurde 45 minuten, waarin we veel angst en schrik hebben gehad omdat het zo dichtbij was. De andere dag kwam men met paard en wagen de gesneuvelden ophalen. Eindhoven treurde om 380 doden.
Ondertussen werd er in Best en omstreken nog zwaar gevochten. De meeste Bestenaren waren geëvacueerd naar Aarle en Sint Oedenrode. Ondertussen werd er in Best en omstreken nog zwaar gevochten. De meeste Bestenaren waren geëvacueerd naar Aarle en St. Oedenrode. Ook tante Tónna en ome Jan met hun gezin. Deze twee kwamen met hun fiets met houten banden naar ons en deelden ons mee dat hun twee kinderen Kees en Jaantje van 5 en 7 jaar oud, gewond waren in Son bij de zweefvliegtuigen. Ze waren in alle ziekenhuizen in Eindhoven geweest, maar niemand wist waar ze waren. Ik wist dat er in Zeelst een Engels hospitaal was in een klooster naast de kerk. Wij samen daarheen. Met mijn schoolengels uitgelegd aan de wacht wat we zochten. Daarop ging hij een aalmoezenier halen die vertelde dat de kinderen hier beiden waren, "the children are dead". En dit moest ik toen tegen oom en tante zeggen; zoiets vergeet je nooit meer en dat is oorlog.
De opmars, de zogenaamde Slag om Arnhem, bleef steken bij de Maas en de Biesbosch. Het gevolg was dus dat het zuiden bevrijd was en wij weer enigszins opgelucht konden ademen. Wel stagneerde alles, geen aanvoer van levensmiddelen.
In die drie weken dat dit duurde hebben we wat ons betreft meer honger geieden dan in de hele oorlog zelf.
Gelukkig kwamen al gauw de Amerikaanse legervoorraden los: blikjes corned beef, kidney pudding, blikken met spek en bonen etc. Ook de slagerij kwam weer op gang. De eerst tijd vooral nog vee dat gewond was geweest. Ik herinner me dat we bomscherven uit de bouten haalden.
De hele angst van de oorlog was nog niet verdwenen. Hitler had een geheim wapen uitgevonden, een vliegende bom. Eigenlijk was dit de voorloper van een raketvliegtuig of straaljager. Deze bommen werden vanuit nog bezet Nederland afgevuurd.
Op 16 december 1944 om 6 uur s' avonds. Na het sluiten van de winkel waren we met ongeveer 14 man al in de keuken. ( Hierbij waren enkele evacués uit Driel in de Betuwe). Opeens hoorden we het bekende geratel van een overvliegende V1, wat ook plotseling weer stopte, iedereen stond verschrikt op en meteen klonk er een klap en een explosie. Alle lichten vielen uit en ruiten rinkelden. Door meteen de deur open te gooien werd de druk verminderd. In het donker werd geroepen: "niemand gewond". Alleen op straat werd enorm gegild en gekermd. Ongeveer 2oo meter van ons huis was de bom neergekomen. In de omgeving van Rust Roest en Santa Maria; tientallen huizen in puin en 'n 16tal doden. Zelf heb ik nog drie personen levend onder het puin vandaan gehaald. Vader was ook aanwezig, en dacht door een plas water te kunnen lopen. Het was echter het bomgat en ging helemaal kopje onder. Toen hij weer boven kwam sprak hij de historische woorden: "Mart, ik ben strontnat". Later bleek dat twee meisjes van ongeveer 20 jaar, Gielen en Schampers, juist op de onheilsplek waren, op weg naar de bioscoop. Nooit is er meer iets teruggevonden.
Gelukkig zijn we met ons huishouden de oorlog goed doorgekomen. Vader ging weer elke woensdag naar de Bossche Markt en meestal via Liempde om slager Kelders op te halen. Donderdags weer terug naar Best om het vlees op te halen, want het vee werd in Best geslacht. De helft was voor de slagerij in Eindhoven, maar dit moest weer ingevoerd worden omdat dit in een andere keuringskring viel. En dat kostte weer extra keurloon. Er ging maar één bout naar de keuring en de rest ging rechtstreeks naar de slagerij. Zo werden weer enkele guldens verdiend.
Voor de missie van de tante zuster in Nederlands Indië werden appeltjes geschild door de hele familie. Ze werden bij bakker Buskens (den Bus) op de oven gedroogd. Het schillen gebeurde in de keuken bij de slagerij. Deze keuken was een overdekte binnenplaats tussen het huis en de stallen, washok en de varkensstal. Om droog van de winkel naar buiten te gaan was dit overkapt en een grote eetkeuken geworden.
Zo zie je dat de vernieuwingen en verbeteringen niet uitbleven. Er werd gewerkt met goed personeel wat meestal uit de omliggende dorpen aangetrokken werd. Bekende namen zijn: Janus v/d Kruijs, Jan van Lierop, Theo Winters, Bert Groenen, Marnies Schellekens en Frans Lanen. Greta was de trouwe dienstmeid en vooral de vertrouweling van het gezin gedurende vele jaren. En voor het verstellen van de kleding kwam Anna Graat uit Neerkant elke veertien dagen, tot grote vreugde van moeder.
Ook hadden alle kinderen recht op "traktement". Dit werd op zondag uitgedeeld en dat was dan 1 cent. Daar kon je toen ongelofelijk veel voor kopen bij Cisca van Hoek en vrouwke van Baar. Als jongens genoten we nog een voordeel want we waren bevriend met de jongens van van Son. Die kregen op dinsdag ook een cent om te kopen en als we hen dan ophaalden om naar school te gaan, kwamen wij ook voor die cent in aanmerking. Die van van Son waren Toon, Sjef, Lambert en Willy. Rond 12 uur na school werd er warm gegeten; vrijdag was vastendag en dan mocht er alleen vis gegeten worden. Voor de werkende gezinsleden en het personeel werd om half elf warme chocolademelk geschonken met daarbij beschuit. En zo werd er hard gewerkt aan de opbouw van de slagerij in de naoorlogse tijd. Veel zou er nog veranderen en veel aanpassingen waren nodig. Met de opsomming van al het hier voorafgaande wilde ik een beeld schetsen van de gebeurtenissen en belevenissen tijdens de oorlog en de periode daarna.
 
 
 
 
E.P.J. Beerens

E. Beerens



< < < Overzicht ...