EiB header publiek

Het heden en verleden van Eindhoven

Responsive Navigation

Geen Google maps coördinaten aanwezig

Uw selectie...

Fotonr.:

30123

Bijdrager:

Jaar:

1965

Stadsdeel:

Woensel

Buurt:

421 Woensel-West

Straat:

Pieter Zeemanstraat

Onderwerp 1.:

Bedrijven / Industrie

Onderwerp 2.:

Philips

Onderwerp 3.:

Complex Vredeoord

Een reactie op deze foto insturen


Ik heb de algemene voorwaarden gelezen en akkoord bevonden

image




  • facebook
  • twitter
  • img
De kantinemeisjes van Philips VH (1)

Beschrijving

Enkele dames die werkzaam waren in de kantine van gebouw VH, het Philipsgebouw aan de Pieter Zeemanstraat (zie foto 17925), waar mijnheer Frits vroeger zijn kantoor had.
Van links naar rechts: Mieke, Sjaan, Ans, Francien, Diny, Rieky en Henriette.


Geplaatst op

21-12-2011

Email bijdrager

img

Reacties:

Datum: 15-09-2012
Naam: An de Groof  

Nog in de oude uniformen. Vanaf het jubileum waren het grijze uniformen.


Datum: 15-09-2012
Naam: Henriette  
img

Kan wel kloppen, maar deze foto is gemaakt voorjaar 1966 en het jubileum was maand 9 van dat jaar. Na een brommerongeluk ben ik met de ambulance, op weg naar huis, door feestelijk Eindhoven gereden door de ziekenbroeders, dan kon ik de feestende stad even zien.


Datum: 17-09-2012
Naam: Mieke Ardon - Cornuit  
img

Dat was een mooie tijd samen in de keuken, de kantine en met de koffiewagen rond. Wij hebben er een dikke vriendschap aan overgehouden en die bestaat gelukkig nog wel.


Datum: 31-07-2019
Naam: Bert van Herk  
img

Het blauwe Philipsgebouw, VH, waar meneer Frits zijn kantoor had op de bovenste etage op de hoek aan de Boschdijk rechtsboven, en wat zo spectaculair mislukt gesloopt is, ken ik goed. Ik heb bij Philips van 1967 tot 1969 bij de technische dienst gewerkt. Ik deed daar toen met nog twee oudere collega’s onderhoud aan de verlichting in alle gebouwen op Strijp S, R en T en in de magazijnen in Acht. Op al die complexen ben ik in alle hoeken en gaatjes waar ook maar een lampje hing geweest om deze te vervangen of de verlichting te repareren. Men noemde ons wel eens “de lampenisten”. Elke lamp en TL-buis werd na een brandtijd van ongeveer 5000 uur vernieuwd. Als we alle complexen hadden gedaan, konden we weer van voor af aan beginnen. We hadden een klein magazijn op Strijp R, waar alle benodigde TL-buizen en lampen lagen, in gebouw RAF meteen na de garage.
Terug naar gebouw VH. Dat was een mooi blauw gebouw met 14 verdiepingen. De verdiepingen 1 t/m 3 waren gewoon kantoortjes, waar mensen al dan niet heel druk aan het werk waren en soms kwaad werden als wij met onze kamersteiger het kantoortje binnenreden, na op de deur geklopt te hebben natuurlijk, want dan moesten ze van de stoel af. Dat deden sommigen niet zo graag, en dan konden wij niet bij die verlichting komen. Daar hadden wij een trucje voor: wilde iemand niet even opstaan, dan gingen we naar het volgende kantoor, met de mededeling “tot volgend jaar”. Dan stonden ze toch wel op, maar toch nog met het nodige commentaar, want stel dat de verlichting kapot ging. Dit lukte acht van de tien keer. Maar toch waren er in het gebouw drie kantoortjes die niet meewerkten. Daar zeiden ze: "Kom maar terug na onze werktijd". Mooi niet en die verlichting werd ook niet door ons vernieuwd. Maar er werd wel melding van gemaakt bij onze chef van de technische dienst. Als we een kantoortje gedaan hadden, leverde dat meteen 30 tot 40 procent meer licht op. We deden een afdeling per dag, inclusief de aanvoer van de TL-buizen en lampen en het afvoeren van al het verpakkingsmateriaal en oude TL-buizen. Het was een heel gesleep allemaal. En dat deden we met de lift. De 4e etage was anders; dat was de geheime afdeling, zo genoemd omdat daar allemaal geheime dingen werden uitgevogeld. Daar kwam je niet zomaar binnen. Op die afdeling zat namelijk iemand van de bewaking achter een bureau en die zag je meteen zitten als je uit de lift kwam. Wilde je de afdeling op, dan moest je tekenen, naam, adres en salarisnummer. Die man vulde de tijd in en wij zetten daar dan weer een handtekening bij. Als je van de afdeling moest om wat te halen, of een sanitaire stop moest maken, dan moest je je uitschrijven, en als je terugkwam moest je je weer inschrijven. En zo reden wij ook daar rond met onze kamersteiger. De kluizen op sommige kantoortjes stonden wijd open, en de technische tekeningen lagen open en bloot op het bureau. De rest van al die etages was niks bijzonders, gewoon kantoortjes, waar volgens ons mensen hard aan het werk waren. Er zaten mensen bij met de voeten op het bureau, en die de krant lazen met een kop koffie en een sigaret erbij, en werknemers die voor het raam stonden met een sigaar en koffie in de hand naar buiten te kijken. En er waren er die druk met elkaar stonden te praten. Die verschoten als wij op de deur klopten en binnengingen met onze kamersteiger. Dan volgde dikwijls hun commentaar "Moet dat NOU?”. Ja, dat moet nou. Of dat wat ze deden onder werken viel was ons niet bekend, daar we niet wisten wat er in dit gebouw nou eigenlijk gedaan werd. Toen kwam de etage van meneer Frits aan de beurt, ook zijn kantoortje moest eraan geloven. Dit was het heilige der heiligen. Als je daar mocht komen, had je het ver geschupt. Dus wij ook (hahaha). Het kantoortje had (wat mij nog een beetje bijhangt) blauwe vloerbedekking, met een ronde tafel met twee fauteuils. En een halfrond bureau met een stuk of vijf monitors erin verwerkt, die op het moment dat wij daar aan het werk waren niet aan stonden. Een paar telefoons in het bureau verwerkt. Een paar drukknoppen ernaast verwerkt aan de rechterkant. Met wat kantoorspulletjes. En verder niks bijzonders. Meneer Frits was niet aanwezig. Daarnaast was het kantoor van zijn secretaresse, een leuke 35-jarige (schat ik zo) donkerharige dame. Op haar kantoor hebben we nog even staan praten. Ze wilde weten wat we eigelijk aan het doen waren en waarom. Ze vond het leuk dat wij overal kwamen en mochten komen. We vertelden haar nog een paar leuke anekdotes over wat we zo meemaakten. Waar hartelijk om gelachen werd. "Zo zie je nog eens wat", zei ze. Ze moest eens weten wat we die dag nog allemaal zagen (en dat zal ze zeker voor een gedeelte wel geweten hebben). Toen hadden we nog twee gewone kantoortjes daarnaast. Ik opende de deur en mijn ogen vielen bijna uit mijn hoofd van wat ik daar zag. Niet normaal: veel voorwerpen van goud en zilver. Het bleek de cadeaukamer te zijn, vertelde men mij later. Ik zag er voorwerpen zoals schalen en kommen, dolken van goud en zilver in een prachtige met edelstenen ingelegde schede, en nog meer zulke voorwerpen. Beeldjes, hoofdjes. Uit bijna alle landen. Er waren ook langwerpige lijsten met Chinese karakters in (bloed)rood en zwart koraal. Hoogglans gepolijst. Het hele kamertje (kantoortje) stond vol. Alles netjes uitgestald. Het waren geschenken van buitenlandse gasten die bij Philips op bezoek kwamen en een cadeautje voor de gastheer meebrachten. Als je alles wilde zien, was je een halve dag kwijt. Het was bijna allemaal (blad)goud en zilver wat je zag. Ook hier werd de verlichting vernieuwd, want daar kwamen we voor. Maar, en nu komt het, de hele afdeling rook een beetje naar kruidnagel. Kruidnagel, zul je vragen. Ja, klopt. Op de gang stond (en dat is mij altijd bijgebleven) een VOC-schip, op een tafeltje tegen de muur, met vol tuigage, met kanonnen en touwen op het dek, helemaal compleet,gemaakt tot in perfectie van kruidnagel, onder een langwerpige glazen stolp. Een VOC-schip maken van kruidnagel, hoe lang ben je daar mee bezig? Ik denk dat het iets van 400 mm lang was. Dit was zo geweldig mooi gemaakt dat je het nooit meer vergeet. Wat een geduld moet je hebben om elk kruidnageltje aan een draadje te rijgen. Om daar een schip van te maken, Dat is pas monnikenwerk.
Een of twee kantoortjes verder was een kantine van drie kantoortjes groot. Dat was het eerste werk waar we de volgende morgen aan moesten beginnen. We hadden er al een keer binnengekeken tegen einde werktijd, om te zien wat we de volgende dag nodig hadden. Het was een mooie kantine, netjes en verzorgd, niks mis mee. We zeiden tegen elkaar dat we daar morgen vlug klaar zouden zijn. De volgende morgen waren we al om half 8 op de afdeling met onze spullen, twee dozen TL-buizen, twee lege dozen om de verwijderde buizen in te doen, lampen en fittingen voor de andere verlichting, en onze kamersteiger. We klopten op de deur, geen antwoord. Nogmaals geklopt, weer geen reactie. Toen liepen we gewoon naar binnen. We wisten niet wat we zagen, jonge, jonge, wat een ravage. Hier was een bom ontploft of de terminator was even langsgekomen. Verschillende dure flessen wijn lagen kapotgeslagen, en enkele geopend ondersteboven in de prullenbak, en over de vloer de glazen, kapotgegooid tegen de muur, de wijn was over de tafels gegoten. De bami lag verspreid over de tafel en tegen de muur gegooid. Lepels, vorken en messen lagen over de vloer. Het was een ravage. De wijn sopte onder onze schoenen in de vloerbedekking op sommige plaatsen. Wij moesten over alles heen stappen en de wieltjes van onze kamersteiger reden over de bami en nasi heen en pletten die in de vloerbedekking. We keken elkaar aan en we vermoedden al wat er aan de hand was geweest, maar we zeiden niks. Plotseling vloog er een deur open, die van de aangrenzende keuken. Een cheffin vloog de kantine in en riep verbaasd en kwaad "Wat doen julle hier en wie heeft gezegd dat jullie hier binnen mochten? ERUIT! Kom maar terug als we klaar zijn". Toen begon ze te dreigen: "Jullie houden je mond over wat je hier gezien hebt, want anders zorg ik persoonlijk dat je ontslagen wordt, en ik wil jullie naam en salarisnummer hebben". Die we natuurlijk niet gaven, kom op zeg, we deden gewoon ons werk. Dit was een fout van haar, had ze het maar eerder moeten opruimen. Het was zeker te laat geworden de vorige avond. “ERUIT” riep ze nog hard. Ze wist toch dat we daar aan het werk waren, daar had ze rekening mee moeten houden, ze had zeker wat anders aan haar hoofd. We namen onze spullen en we gingen naar het kantoortje ernaast. We hebben ons kapot gelachen, we hadden nog nooit iemand zo kwaad gezien, en we probeerden onderling te raden wat er aan de hand was geweest. Hier waren we dus NIET vlug klaar. Later in de middag mochten we ons werk daar afmaken. De kantine was weer als door een ringetje te halen, alsof er niks gebeurd was. Tijdens het vernieuwen van de verlichting liet ze zich niet meer zien. Toen we klaar waren, ruimden wij onze rommel op, trokken de deur dicht en we hebben er nooit meer iets van gehoord. De volgende twee kantoortjes waren niks bijzonders.
En zo kwam de kant aan de Pieter Zeemanstraat aan de beurt. De eerste drie kantoortjes niks bijzonders. Tot we de deur van het derde kantoortje openden. Toen sloeg ik bijna stijl achterover, voor de tweede keer. Dit had ik nooit maar dan ook nooit verwacht, zelfs niet in mijn dromen. Ik ging terug in de tijd (figuurlijk gesproken dan). Dit kantoortje, ik mag gerust zeggen “een oudhollandse kamer”, was ingericht in 17e-eeuwse stijl. Als ik voor me keek zat ik in de 17e eeuw, als ik me omdraaide zat ik weer in 20e eeuw. De kamer was helemaal ingericht in die oude stijl, met open schouw waar de ketel aan de ketting hing, de schouw was helemaal bewerkt met Delfts blauwe tegels. Met aan de linker- en rechterkant een luie zetel. Aan de muur hing een schilderij waarvan ik de hoogte schat op bijna een meter en 90 cm breed, met een goudkleurige lijst. (Ik weet niet wie de schilder was, ik was gewoon verbluft.) Op het schilderij stond een Spaanse soldaat in 17e-eeuwse kleding met een hoge koperen punthelm op, zijn handen rustten op de pommel van zijn zwaard voor zijn borst en zijn armen waren zijwaarts gespreid. Verder hingen er nog kleinere schilderijen, ook juweeltjes. In het midden van de kamer stond een hoge lessenaar met daarop een boek uit de middeleeuwen, opengeslagen. Ik denk dat dat boek een vierkante meter was. Elke letter in dat boek was getekend en ingekleurd en het waren dikke vellen (papier) of perkament,. Ik weet niet van wie het was of wat erin stond. Maar het zag er puntgaaf uit en ik durfde niks aan te raken, bang dat ik iets zou beschadigen. Verder stonden er nog twee grote antieke wereldbollen. Die recentelijk nog zijn verkocht. Ook hier hebben we de verlichting vernieuwd op de toppen van onze tenen. In deze oudhollandse kamer zocht meneer Frits zijn rust. In de 17e eeuw bestond Philips niet, dat was pas rust voor hem.
Ook in de grote kantine op de begane grond en in de keuken hebben we de verlichting totaal vernieuwd. Daar troffen we vrolijke en hartelijke dames aan, die ons graag zagen komen, want ze vonden dat de verlichting wel vernieuwd moest worden omdat daar verschillende lampen en TL-buizen in de keuken en de kantine kapot waren. Die anderhalve week die we in hun gezelschap doorbrachten was gezellig en leuk. We werden verwend met goede koffie, vers gezet, niet uit de automaat, het koffiebonnetje van 15 cent mochten we houden. Er werd flink gewerkt, maar we hadden ook tijd voor een praatje tussendoor, over het werk, dat we het zo warm haddden toen we boven in de glasfabriek in een ander gebouw moesten werken en dat we ook op de kartonnage waren geweest boven die gigagrote en lange machine waarmee karton werd gemaakt, en dat we na VH naar gebouw VB moesten. Af en toe een pikante mop en verhalen van wat we gedaan hadden in het weekend, en waar ik op stap ging. Het is weer “ik”, omdat mijn twee collega's beiden al in de 40 waren en getrouwd. Ik was pas 18 en werd ook wel een beetje voor de gek gehouden door de dames. Maar dat was wel leuk. Het was een teken dat ze ons wel mochten. Dat was ook te merken als we zaten te lunchen tussen de middag. Dan kregen we wel eens, als het niet meer zo druk was met al dat kantoorpersoneel, een extra lapje vlees en een extra kopje koffie. Dat ging er wel in. We werden gewoon door die meiden een beetje verwend. We lieten ook geen rotzooi achter, de tafels en stoelen die we moesten verzetten om met die kamersteiger te kunnen manoeuvreren zetten we allemaal weer netjes op zijn plaats. Ook het stof dat uit die plafonds viel ruimden we op. Op het einde van de dag kon je niet zien dat wij er geweest waren. Al het karton van de verpakking van de TL-buizen en de kapotte buizen namen we mee. Die gingen de container in. Maar ik vond de vrijdag het leukste, want dan was er altijd chinees, bami of nasi met pindasaus en die was wel zo heerlijk. Ik kreeg altijd van de dames, als er over was (en dat was bijna altijd) wat mee naar huis. Dan ging mijn broodtrommel waar mijn boterham van 9 uur inzat helemaal vol met satésaus met heerlijk vlees erbij mee naar huis. Dan had ik thuis ook nog wat. Dames nog bedankt daarvoor, ook al is het 52 jaar geleden.
Dit is beleefd en opgeschreven door Bert van Herk d.d. 31-7-2019.